Dodenslaap

wanneer de hazen slapen
kijk ik door mijn wimperharen
naar jouw vloeipapieren wangen
rond je mond de ingesleten kepen
van een omgekeerde lach

ik zet met schrap
in afwachting van jouw ontwaken
de kalmte die ons hier omringt
-pluizenzachte rust werpt zij
in strepen zonlicht ver vooruit-
verpulverd door jouw stem

waar heb je gezworven?

wanneer kom je thuis?

ooit bloesemde je uit jonge takken
scheutig klom je lach omhoog
nu zingen kraaien hun verleidingsriten
glimmende kralen in hun koppen
vlijmscherpe monden

Post Navigation